|
Het grootste gedeelte van Hoek van Holland en het eiland Rozenburg-De Beer werd Sperr-gebied. Burgers mochten dit alleen betreden als zij een doorlaatpas (Ausweiss) bezaten. De bouwwerken werden uitgevoerd onder supervisie van de Organisation Todt en de Festungs-pioniere (genie-troepen). Zij schakelden Nederlandse- en Duitse bouwaannemers in. Dagelijks kwamen er duizenden arbeiders naar de kust om gedwongen aan de bouw van de bunkers, tankmuren, tankgrachten en strandversperringen te werken. In november 1944 waren dat ongeveer 8000 dwangarbeiders per dag. Zij kwamen met treinen naar Hoek vanHolland en een groot aantal werden met boten overgezet naar Rozenburg-De Beer.
De Festung Hoek van Holland groeide en werd steeds sterker. Er kwam zwaar kustgeschut, middelzwaar kustgeschut, zwaar luchtafweergeschut en lichter luchtafweergeschut, diverse soorten pantserafweergeschut, mortieren, zware- en lichte mitrailleurs, vlammenwerpers en schweres Wurfgerät 41 van 28 en 30 cm. Dit laatste wapen was een soort lanceer-installatie waarmee men projectielen met een spring- of brandlading kon lanceren. Eind 1944 kwamen er ook eenmansonderzeeboten type Biber, een V-2 eenheid en een linsebooteenheid naar Hoek van Holland. Linseboten waren een soort speedboten geladen met springkisten welke nabij het doel tot ontploffing werden gebracht. Deze boten opereerden in eenheden van twee linseboten en een commandoboot. Bij al deze wapens bouwde men de bijbehorende bunkercomplexen. Verder werden de terreinen van de Hoek en De Beer volgelegd met mijnenvelden waarin diverse soorten mijnen lagen, zoals anti- personeels-mijnen en anti-tankmijnen. Het strand werd volgezet met versperringen zogenaamde Rommelasperges en explosieven. Het stranddiorama in het fort toont een pantserafweerkanon van 5 cm (Kw.k) met in het voorterrein een Tobrukstand (eenmansbunkertje) met een mitrailleurschutter,een vlammenwerper en mijnen. |
|