Ontwikkelingen die leiden tot de bouw van de kustverdedigingsforten

De ontwikkeling van de bewapening raakte in het midden der 19e eeuw in een stroomversnelling, nadat er in twee eeuwen daarvoor nauwelijks meer grote wijzigingen waren geweest in de ontwikkeling van het geschut of de toepassing daarvan in de strijd.

Voor 1860 schoot men nog met bronzen en gietijzeren kanonnen, voorzien van een gladde loop, die men van voren laadde met een rond, metalen projectiel. In 1861 voerde men het geschut met de getrokken loop in; dit waren nog wel voorladers. De lopen van deze kanonnen werden voorzien van zogenaamde trekken en velden: spiraalvormige groeven binnen de loop. Door deze trekken en velden kregen de projectielen een draaiende beweging. Verder maakte men de projectielen nu cilindervormig met een punt en werden zij voorzien van nokken. Deze nokken draaiden door de trekken van de loop.
Door de draaiende beweging en de puntvorm werd de baan van het projectiel stabieler, kreeg het een grotere snelheid en werd het doordringingsvermogen groter als van het ronde projectiel, hiermee was de opkomst van de moderne granaat begonnen.

Vervolgens ontwikkelde men kanonnen met lopen van gietstaal in plaats van brons of gietijzer. Gietstaal was veel minder aan slijtage onderhevig als brons of gietijzer, waardoor de kanonslopen langer mee gingen en dus goedkoper werden.
Brons, een legering van koper, tin en andere metalen, is relatief zacht. Hierdoor kreeg men te maken met het zogenaamde 'uitschieten van de bronzen kanonsloop'. Het gevolg hiervan was dat de gasdruk waardoor het projectiel uit de loop werd geschoten langs het projectiel kon weglekken waardoor het  projectiel onvoldoende snelheid kreeg om het doel te bereiken. Deze kanonslopen moesten na een bepaald aantal schoten van een nieuwe binnenvoering worden voorzien.
Gietijzer is alleen geschikt voor het maken van lichtere vuurmonden. Dit metaal is erg hard, maar de vastheid en veerkracht zijn gering. Hierdoor is het gevaar voor het springen van de kanonslopen tijdens het schieten veel groter. Om onverwacht springen van een kanonsloop te voorkomen moest men per vuurmond het aantal schoten met een bepaalde lading vaststellen. Als dit aantal schoten bereikt was dan moest men de kanonsloop afkeuren, ook al waren er uiterlijk nog geen gebreken te zien. Gietijzer is echter goedkoper dan brons.
Het Nederlandse leger voerde in 1878 het stalen kanon in bij de Vesting Artillerie en in 1880 bij de Bereden Artillerie.

De volgende stap in deze bewapeningswedloop was de uitvinding van de achterlaadkanonnen met het gasdichte sluitstuk. Door de granaat aan de achterzijde in de kanonloop te brengen kon men het kanon sneller laden. Het gasdichte sluitstuk zorgde er voor dat de gasdruk niet kon weglekken zodat het projectiel met optimale druk uit de loop werd geschoten.
De ontwikkeling van dit nieuwe, stalen achterlaadgeschut met trekken en velden vond voornamelijk plaats bij de firma "Krupp" te Essen in Duitsland.

De Pruisische koning Wilhelm gebruikte het nieuwe geschut met de projectielen onder andere tijdens de Frans-Duitse oorlog (1870-1871). Tijdens deze oorlog trokken de troepen van de Duitse Bond, een coalitie van Duitse staten, onderleiding van Pruisen op tegen de Franse forten en vestingsteden, zoals Metz en Sedan. Dit nieuwe geschut bleek toen zo goed, dat de muren van de Franse forten en vestingsteden niet bestand waren tegen de granaten van het Duitse belegeringsgeschut. Men schoot bressen in deze muren, waarna de troepen van de Duitse Bond de vestingen binnen konden trekken. Op 1 september 1870 werd de Franse keizer Napoleon III, samen met zijn soldaten, in de vesting Sedan gevangen genomen door de Duitsers. Hierna belegerden de Duitse troepen de stad Parijs en werd de Pruisische koning Wilhelm in de Spiegelzaal van het slot te Versailles tot keizer Wilhelm I van Duitsland gekroond.

Tijdens deze oorlog was het Nederlandse leger voor de eerste keer in haar geschiedenis  gemobiliseerd en waren de forten en vestingen volledig bemand, onder andere door dienstplichtige soldaten van de Vestingartillerie en Infanterie. Het Nederlandse leger bestond in die tijd uit een beroepsleger en een dienstplichtigenleger, de staande armee en de nationale militie. Ook beschikte men over de schutterij. Die was echter van weinig waarde.
Het leger bestond uit negen infanterieregimenten, vier regimenten huzaren, één regiment veldartillerie, drie regimenten vestingartillerie, één regiment rijdende artillerie en één bataljon mineurs en sappeurs.

Ook de Nederlandse forten waren door de uitvinding van het moderne geschut niet langer bestand tegen de werking van de daarmee afgevuurde granaten. De fortenlinies waarbij de forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, waren nog voornamelijk bewapend met de gladloopse, bronzen of gietijzeren voorlaadkanonnen. Er waren te weinig bomvrije onderkomens voor munitie en soldaten, de gronddekkingen bleken onvoldoende en de verbindingen tussen vestingen en forten waren onvoldoende. Men probeerde de vestingwerken zo snel mogelijk op een nationaal telegraafnet aan te sluiten. Er was gebrek aan voldoende goed drinkwater en er waren onvoldoende britsen om al de soldaten te slapen te leggen. Er was gebrek aan kader en de schutters waren slecht opgeleid. In veel gevallen duurde het twee maanden of langer om de vestingen gevechtsklaar te maken.

Het was dus dringend noodzakelijk het Nederlandse verdedigingsstelsel aan te passen. In 1874 nam men in Nederland het eerste geschut van het type achterlader in gebruik. Dit was nog wel een bronzen kanon, kaliber 8 cm. Dit gebeurde bij de bereden artillerie. In 1878 begon men met het invoeren van 12 cm stalen achterlaad geschut. Het eerst bij de vestingartillerie en in 1880 het stalen kanon van 8 cm voor de bereden artillerie. Deze kanonnen werden gekocht bij de firma "Krupp" in Essen (Duitsland). Ook ging men de bronzen kanonlopen vervangen door gietstalen lopen en voerde men nieuwe en grotere stukken geschut in. Zo kreeg de vestingartillerie kanonnen van 12 cm kort, 15 cm kort en 15 L 24. De kustartillerie kreeg de beschikking over kanonnen van 24 cm L  35 voor het nieuwe type pantserfort, 'Fort op de Harssens'. Dit was zeer zwaar geschut. Men schoot hiermee granaten van 455 kg. per stuk af.
Dit als antwoord op de opkomende en steeds zwaarder wordende bepantsering, onder andere van oorlogsschepen.
Het kaliber van het moderne geschut werd als volgt berekend;  24 cm Lang 35 betekende, loopdoorsnede 24 cm en looplengte 24 x 35 cm = 8.40 meter. Deze kanonsloop heeft dus een diameter van 24 cm en een looplengte van 8.40 meter.

Het tactische gebruik van het geschut werd onderverdeeld in;
a. veldgeschut
b. vestinggeschut
c. belegeringsgeschut
d. kustgeschut.

Om het Nederlandse vestingstelsel te moderniseren nam men een aantal maatregelen. Om deze te realiseren werd de Vestingwet van 1874 aangenomen. Ingevolge deze wet werden de forten voorzien van bomvrije kazernes voor de manschappen. Aardewallen werden verzwaard en men bouwde nieuwe forten, vooral rond Utrecht en in de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Oude vestingwerken en vestingsteden werden opgeheven en een nieuw vestingstelsel werd in het leven geroepen. Dit nieuwe vestingstelsel omvatte de provincie Zuid-Holland en Noord-Holland. Men begon in 1880 met de bouw van de Stelling van Amsterdam. Dit was een ring van forten en inundatiepolders rond de hoofdstad op een afstand van ongeveer 30 kilometer van de stad. Deze afstand was gekozen omdat dat meer was dan het maximale bereik van het toenmalige geschut waardoor een vijandelijk leger de stad Amsterdam niet zou kunnen bombarderen. Deze stelling zou het nationaal Reduit vormen. Als tijdens een oorlog de strijd niet goed voor ons land zou verlopen zou het veldleger zich terug kunnen trekken binnen de Stelling van Amsterdam. De bouw van de verdedigingswerken in dit vestingstelsel zou dertig jaar gaan duren. Het Nederlandse verdedigingsstelsel omvatte nu diverse stellingen en linies, de belangrijkste waren:

A. de Nieuwe Hollandse Waterlinie
B. de Stelling Amsterdam
C. de Stelling van de Monden der Maas en het Haringvliet

In het kader van de Vestingwet werd ook besloten dat er een aantal zeer moderne kustverdedigingsforten van het type 'Pantserfort' gebouwd moesten worden. Wegens de eerder beschreven revolutionaire ontwikkeling van de bepantsering en bewapening besloot men deze forten te voorzien van draaibare pantserkoepels met zwaar kustgeschut, type stalen achterlader.
De kustverdedigingsforten moesten in samenwerking met de marine onze zeegaten verdedigen. De Minister van Marine, Van Erp Taalman - Kip, verklaarde in 1874 dat drijvend materieel voor de kustverdediging alleen moest worden gebruikt ter aanvulling van de vaste verdedigingswerken, waarvan de samenstelling werd geregeld in de Vestingwet. Het grootste deel van onze oorlogsvloot bestond in die tijd dan ook uit "schepen ter verdediging van kusten, zeegaten, reeden en stroomen".

Ook was er een plan gemaakt voor de verdediging van onze kust door 4 ramschepen, 2 rammonitoren met zware bewapening en bepantsering, 14 monitoren, 24 kanonneerboten 24 gepantserde riviervaartuigen en torpedoboten. Schepen die door hun geringe diepgang en goede wendbaarheid gemakkelijk onder de kust en tussen de zandbanken konden opereren.

De samenwerking tussen de kustverdedigingsforten en oorlogsschepen was noodzakelijk voor de verdediging van een aantal nieuw aangelegde, en aan te leggen, vaarwegen die de verbinding van de havens van Amsterdam en Rotterdam met de Noordzee aanmerkelijk korter maakten en  tevens toegang gaven tot het hart van ons land:

- In 1825 was het Noord-Hollands Kanaal, tussen Amsterdam en Den Helder gereedgekomen.
- In 1872 was de Nieuwe Rotterdamsche Waterweg, tussen Rotterdam en de Noordzee gereed gekomen.
- Verder was men bezig met het graven van het Noordzeekanaal, tussen Amsterdam en de Noordzee. Dit kanaal zou in 1876 gereed komen.

Deze belangrijke vaarwegen, de strategisch belangrijke havens en het achterland moesten beschermd worden door pantserforten die met zwaar kustgeschut waren uitgerust. Geschut wat het moest kunnen opnemen tegen het geschut van de grootste oorlogschepen van die tijd.
Ook diende de bestaande stellingen langs de kust te worden versterkt, met name de Stelling Den Helder en de Stelling van de Monden van de Maas en het Haringvliet. De bestaande forten en verdedigingswerken binnen deze stellingen zouden worden voorzien van betere dekkingen en moderner geschut.
In de periode van 1880 tot 1900 werden vier kustverdedigingsforten met zwaar kustgeschut gebouwd, dit waren:

1.  Fort op de Harssens te Den Helder.
     Uitgerust met twee draaibare pantserkoepels, elk met twee vuurmonden, kaliber 30 cm lang 25. Het fort werd gebouwd tussen 1880 en 1884.

2.  Fort bij IJmuiden.
     Uitgerust met een pantserbatterij bestaande uit vijf vuurmonden, kaliber 24 cm lang 30 en één draaibare pantserkoepel met twee vuurmonden, kaliber 15 cm lang 30. Het fort werd gebouwd tussen 1880 en 1887.

3.  Fort aan den Hoek van Holland.
     Uitgerust met twee draaibare pantserkoepels, elk met twee vuurmonden, kaliber 24 cm lang 30 en één draaibare pantserkoepel met twee vuurmonden, kaliber 15 cm lang 30. Het fort werd gebouwd tussen 1881 en 1889.

4.  Fort aan het Pampus.
     Uitgerust met twee draaibare pantserkoepels, elk met twee vuurmonden, kaliber 24 cm lang 35. gebouwd tussen 1891 - 1895.

Eerder was een modern sperfort met stalen Krupp achterlaadgeschut gebouwd op een landtong tussen de Waal en het Pannerdenskanaal, dit was het

     Fort Pannerden.
     Sperfort, uitgerust met een pantserbatterij bestaande uit vier vuurmonden, kaliber 15 cm lang 25 en twee batterijen elk met twee vuurmonden, kaliber 10 cm. Het fort werd gebouwd tussen 1869 en 1872.

Het Fort op de Harssens, gebouwd op de zandbank "De Harssens" diende om de marinehaven van Den Helder en de toegang tot de Zuiderzee, via het Marsdiep, te beschermen.

Het Fort IJmuiden, gebouwd aan de noordzijde van het Noordzee kanaal diende om de vaarweg naar de havens van Amsterdam te beschermen. Na een uitbreiding van de sluizen kwam het fort op een eiland tussen de pieren te liggen.

Het Fort aan den Hoek van Holland, gebouwd aan de ingang van de Nieuwe Waterweg diende om de vaarweg naar de havens van Rotterdam te beschermen.

Het Fort Pampus, gebouwd op de zandbank "Pampus" diende om de havens van Amsterdam, aan de zijde van de Zuiderzee, te beschermen. Hiertoe had men in de monding van het IJ, op de zandbank Pampus, een eiland aangelegd, waarop men het pantserfort bouwde.

Het Fort Pannerden was geen kustverdedigingsfort, maar een gepantserd sperfort. Dit fort werd gebouwd bij de splitsing van het Pannerdenskanaal en de Waal, om deze belangrijke toegang tot onze binnenwateren te beschermen en om te voorkomen dat men het Pannerdenskanaal zou afdammen en zo het water zou onttrekken aan de Nieuwe Hollandse Waterlinie.