De vergeten ramp voor de kust van het Westland
De ondergang van het 7th Cruiser SquadronDoor de donkere nacht van zaterdag 19 op zondag 20 september 1914 ploegen drie grote Engelse oorlogsschepen stampend en slingerend door de hoge golven van een stormachtige zuidelijke Noordzee. De schepen bevinden zich onder de Nederlandse kust ter hoogte van het lichtschip Maas, niet ver van de ingang van de Nieuwe Waterweg. Het zijn de oudste pantserschepen van de Royal Navy, HMS Euryalus, HMS Hogue en HMS Aboukir. De machines van de oude kruisers worden nog met kolen gestookt en de schoorstenen braken dikke rookwolken uit. De schepen maken deel uit van de SOUTHERN FORCE. Deze eenheid bestaat uit pantserkruisers van het 7th CRUISER SQUADRON, lichte kruisers en torpedobootjagers van het 1e en 2e Destroyer-Flotille en onderzeeboten van het 8e Flotille.
De Southern Force staat onder commando van schout bij nacht[1] Arthur Christian. De taak van deze eenheid is het beveiligen van het zuidelijke gedeelte van de Noordzee tegen aanvallen van Duitse oorlogsschepen. De belangrijkste patrouille gebieden zijn de Doggersbank en de Breeveertien, een gebied met zandbanken voor de Nederlandse kust tussen Scheveningen en IJmuiden.
Duitse oorlogsschepen proberen regelmatig de transportschepen van het Britse expeditie leger (B.E.F.) aan te vallen en tot zinken te brengen. Deze schepen kruisen regelmatig het Kanaal tussen Engeland en Noord-Frankrijk om soldaten en voorraden voor dit leger over te zetten.
De kruisers zijn van de "Cressy" klasse, gebouwd tussen 1898 en 1902. Zij zijn de oudste pantserkruisers van de Royal Navy. De schepen meten ongeveer 12000 ton en hebben elk een bemanning van 750 koppen aan boord. Deze manschappen bestaan voor 75% uit oudere reservisten. De thuishaven van de schepen is Sheernes aan de Engelse oostkust.

HMS. Cressy
Onder normale omstandigheden worden de oude en langzame pantserkruisers beveiligd door een scherm van torpedobootjagers. Door het slechte weer en de hoge zee zijn de torpedobootjagers op de avond van de 17e september teruggekeerd naar hun thuishaven Harwich.
Als de drie oorlogsschepen ter hoogte van het lichtschip Maas komen voegt het HMS Cressy zich bij het smaldeel. De Cressy heeft in haar thuishaven kolen gebunkerd. De Euryalus, het vlaggenschip van schout bij nacht Arthur Christian is nu aan de beurt om kolen te gaan bunkeren. Door het slechte weer en de hoge zee is het niet mogelijk om een sloep te water te laten om Christian op een van de andere kruisers over te zetten. Christian besluit om met de Euryalus naar Sheernes te varen. De Cressy, Hogue en Aboukir komen nu onder commando van de oudste commandant, kapitein ter zee John Drummond, commandant van de Auboukir.
De Cressy staat onder commando van kapitein Johnson en de Hogue onder commando van kapitein Nicholson. Kapitein Drummond krijgt opdracht om met de drie pantserkruisers bij de Breeveertien te gaan patrouilleren. Daar moet hij eventueel Duitse oorlogsschepen onderscheppen.
Twee dagen later, dinsdag 22 september, stomen de drie pantserkruisers met een kalme gang van 10 mijl per uur richting noordoost. Er wordt in frontlinie gevaren en niet op zigzag koers omdat men kolen wil sparen. De schepen bevinden zich voorbij de monding van de Nieuwe Waterweg op ongeveer 20 zeemijl N.W. van Hoek van Holland. De storm is gaan liggen. Er staat nog wel een flinke deining en het zicht is heiig. De torpedobootjagers hebben inmiddels de haven van Harwich verlaten om zich weer bij de drie kruisers te voegen.
Aan boord van de pantserkruisers is het rustig. De 2250 manschappen houden zich bezig met routine werkzaamheden.
De oorlogsvaart van de U-9.
Wat zij niet weten is het feit dat een Duitse onderzeeboot hen tegemoet vaart. Het is de U-9 onder commando van Kapitänleutenant Otto Weddigen. De onderzeeboot is gebouwd in 1910 en voorzien van vier torpedobuizen, twee boegbuizen en twee hekbuizen. Er zijn zes torpedo's aan boord. Boven water vaart het schip op petroleummotoren, onder water op elektromotoren. De bemanning bestaat uit 29 man, 4 officieren en 25 manschappen. Weddigen is op 20 september om 05.15 uur uit de basis op Helgoland vertrokken. Zijn opdracht luidt: "Positie innemen bij de ingang van het Kanaal, tussen het lichtschip Noordhinder en de haven van Oostende en daar alle geallieerde oorlogs- en transportschepen aan te vallen.

De U-9 in een Duitse haven.
De U-9 valt aan.
Als de U-9 de haven verlaat krijgt zij te maken met een zware deining. Wind en zeegang uit het noordwesten hinderen het schip bij haar voortgang. Op 21 september omstreeks 08.30 uur komt de lichtton van Ameland in zicht. Op 22 september omstreeks 01.00 uur waait de wind nog met een sterkte van 5 uit het noorden. De U-9 moet duiken voor passerende schepen en op 15 meter diepte vaart het schip verder op haar elektromotoren. Als het ochtend wordt en het licht aanbreekt komt Weddigen weer aan de oppervlakte. Het is 05.45 uur als hij vaststelt dat de vuurtoren van Scheveningen op ongeveer 100 graden achterwaarts goed zichtbaar is. Inmiddels vaart het schip weer op de petroleummotoren en zijn de toegangsluiken open. Weddigen zet een koers uit naar het lichtschip Maas. Zijn eerste officier, Oberleutnant Spiess staat boven in de toren en observeert de omgeving. De lucht is helder en het zicht is goed. Weddigen gaat nu met de chefmachinist Schön aan dek een luchtje scheppen. Op dat moment, 06.10 uur, ziet Spiess het silhouet van een lange smalle mast aan de horizon. Direct daarna ziet hij rookwolken. Hij slaat alarm en laat de elektromotoren starten. Weddigen komt in de commandotoren en geeft bevel om te duiken. Direct nadat de onderzeeboot onder water is laat Weddigen kort de periscoop opgaan. Hij kijkt rond en roept: "Het zijn drie kruisers met vier schoorstenen!". Vanaf dat moment werkt de bemanning van de U-9 onder hoogspanning. De torpedo's worden klaar gemaakt voor de aanval. De bemanning vraagt zich af wat de uitwerking van de torpedo's zal zijn. Zullen zij door de explosie niet samen met hun tegenstanders ten onder gaan!. Zij hebben nog nooit eerder torpedo's in een echt gevecht afgevuurd en weten dus niet wat zij kunnen verwachten.
Weddigen kiest het middelste van de drie pantserkruisers uit. Spiess meldt dat de torpedobuizen klaar zijn en vraagt welke buis gebruikt moet worden. Weddigen antwoordt: "Eerste buis, boegschot". Om 07.10 uur klinkt het bevel: "Periscoop op. Buis één opgelet". Kort daarna: "Buis één vuur. Periscoop neer". Om 07.20 uur verlaat de torpedo de buis. Het afvuren van de torpedo en het treffen van het doel gaat erg snel. Kort na het afvuren hoort de, zeer gespannen wachtende, bemanning een doffe klap en een hel kletterend geluid. Er gaat en gejuich op. Als de periscoop op is ziet Weddigen dat het achterschip van de getroffen kruiser diep in het water ligt en dat de voorsteven uit het water steekt. Uit de vier schoorstenen komen dikke witte rookwolken.
De ondergang van HMS. Aboukir.
Aan boord van de drie pantserkruisers ligt een groot deel van de bemanning in hun kooien te slapen terwijl de dienstdoende mannen hun wachten lopen. De schepen varen met een snelheid van 8 knopen, de patrouille snelheid, door het water. Plotseling wordt de rust verstoord door een hevige explosie. Direct hierna zag men dat de Aboukir begon te zinken. Het schip is aan de bakboord voorzijde geraakt. Haar commandant, John Drummond, seint dat hij een drijvende mijn heeft geraakt en dat hij denkt meer mijnen achter zijn schip te zien. De commandant van de Hogue laat volle kracht achteruit slaan, stopt aan stuurboord zijde van de Aboukir en laat sloepen strijken. De Aboukir maakt nu zwaar slagzij over bakboord en zinkt langzaam. Haar vier schoorstenen liggen gelijk met de waterspiegel zodat het lijkt of de rook uit het water komt. Op de Aboukir vechten honderden bemanningsleden voor hun leven. Zij komen, schaars gekleed, in een voortdurende stroom op het bovendek en laten zich langs de zijkant van het schip in het koude water van de Noordzee glijden.

HMS Aboukir.
De vier sloepen van de Hogue pikken zoveel mogelijk mannen op terwijl men aan boord tafels, kisten, stoelen, kasten en banken overboord gooit zodat overlevenden zich hieraan kunnen vastgrijpen. Er zijn nog geen zwemvesten aan boord van de schepen. Ook de Cressy is inmiddels gedraaid en onderweg naar het ongelukkige schip. Ter plaatse gekomen stopt het schip en de bemanning begint ook sloepen uit te zetten. De Aboukir zinkt in 35 minuten naar de bodem van de Noordzee.
De ondergang van HMS. Hogue.
Ondertussen werd aan boord van de U-9 snel torpedobuis één herladen. Weddigen kijkt door de periscoop en ziet dat één van de kruisers stil ligt en sloepen uitzet. Ook ziet hij de vele bemanningsleden aan dek bezig. Hij besluit om twee torpedo's op de stilliggende kruiser af te vuren. Om 07.55 uur geeft Weddigen het bevel om beide boegbuizen af te vuren. Direct hierna duikt de U-9 naar 15 meter diepte en vaart direct snel achteruit. Weddigen is bang dat hij het doel zal rammen want de schootsafstand is ongeveer 300 meter.
Kort na het afvuren van de torpedo's hoort de bemanning van de U-9 twee explosies. Men beseft dat beide torpedo's doel hebben getroffen. Op periscoop diepte gekomen kijkt Spiess door de periscoop. Hij ziet dat het zwaar beschadigde schip zinkende is.
Terwijl men aan boord van de Hogue druk bezig is met het redden van zoveel mogelijk mensen uit zee vindt er aan boord een hevige explosie plaats. Men beseft dat de Hogue ook geraakt is en dat de schepen het doel zijn van een onderzeeboot aanval. Het schip wordt ongeveer midscheeps aan stuurboord geraakt door twee torpedo's die kort na elkaar exploderen. Tengevolge van de explosies wordt het schip als het ware uit het water getild. Een enorme waterkolom gaat de lucht in en de Hogue wordt bijna in tweeën gesneden. Schoorsteen nummer drie stort in als een kaartenhuis. De overlevenden gaan zoveel mogelijk naar het achterdek waar zij over de reling klimmen en in het koude zeewater springen. Ongeveer zeven minuten nadat de Hogue door de torpedo's is geraakt zinkt het schip rechtstandig naar beneden en verdwijnt in de golven. Zij zinkt sneller dan de Aboukir en sleurt een groot aantal opvarenden mee in de diepte. Het wateroppervlak ligt nu vol met zwemmende mannen en mannen die zich vasthouden aan alle voorwerpen die in het water liggen.

Duitse prentbriefkaart over de vernietiging van de pantserkruisers.
De ondergang van HMS. Cressy.
Aan boord van de U-9 is Weddigen bezig om zijn schip in een goede positie te manoeuvreren ten opzichte van de gestopt liggende Cressy. Ondertussen wordt de laatste torpedo in een boegbuis geladen. Om 08.20 uur, precies één uur na het eerste torpedo schot geeft Weddigen het commando om beide hekbuizen af te vuren. Aanvankelijk denken de manschappen van de onderzeeboot dat zij het doel hebben gemist want het duurt even voor men een explosie hoort. Beide torpedo's moeten een afstand van 1000 meter overbruggen. De eerste torpedo raakt het schip aan stuurboordzij. Later blijkt dat de tweede torpedo het doel heeft gemist en voor de Cressy langs gaat. Aan boord van de kruiser ziet men namelijk, door de bellenbaan, de torpedo's al van ver aankomen zodat de machines op het laatste moment volle kracht achteruit draaien. Ondanks dat boorde de eerste torpedo zich aan stuurboord door de scheepswand in de hoofdmachinekamer.
Weddigen was nu op periscoop diepte gebleven en observeerde de aanval op de Cressy. Hij besluit om ook de laatste torpedo op het ongelukkige schip af te vuren. Om 08.35 uur verlaat deze torpedo de buis en boort zich via de scheepswand in de machinekamer van de Cressy. Het grote schip met haar vier schoorstenen maakt langzaam slagzij over bakboord. Spiess kijkt nu door de periscoop en ziet dat de bemanningsleden van de Cressy als mieren over de zijkant van het schip krioelen en in het water terecht komen. Als de Cressy kantelt en met haar kiel boven komt ziet hij de mannen rondrennen over de brede, vlakke kiel tot de kruiser in de golven verdwijnt. Later verklaart hij: "Het was een verschrikkelijk gezicht, al die voor hun leven vechtende mannen". De doodstrijd van de Cressy duurt 45 minuten.
Binnen ruim een uur zijn de drie grote pantserkruisers met totaal 2250 opvarenden aan boord in de golven verdwenen. Wat overblijft, is een woelige zee vol ronddrijvende drenkelingen, een aantal dobberende sloepen en veel wrakstukken.
De U-9 heeft totaal zes torpedo's afgevuurd, één op de Aboukir, twee op de Hogue en drie op de Cressy. Weddigen geeft nu opdracht om zo snel mogelijk het doelgebied te verlaten. De U-9 koerst 20 minuten onder water richting noord waarna het schip aan de oppervlakte komt en koers zet naar de U-boot basis op Helgoland.
De reddingsacties
In de omgeving van de rampplaats bevinden zich twee Nederlandse vrachtschepen, het ss Titan en het ss Flora van de Koninklijke Nederlandse Stoomboot Mij. De Titan is met een lading kolen onderweg van Leith in Engeland naar Rotterdam. De Flora is die ochtend vertrokken uit Rotterdam. Beide schepen komen omstreeks 9 uur ter plaatse. De kapiteins van de schepen laten onmiddellijk bijdraaien, sloepen strijken en touwen over boord hangen. Hierna begint men met het redden van drenkelingen. Ook twee Engelse trawlers, de Coriander en J.G.C. uit Lowestoft zijn ter plaatse. De meeste geredden zijn naakt want zij hebben in het zeewater, al vechtend voor hun leven, hun zware jassen en laarzen uitgedaan of zij lagen in hun kooi te slapen toen hun schip begon te zinken.

Het ss. Titan van de KNSM.
Kapitein Berkhout van het ss.Titan laat twee reddingboten strijken en ziet kans, varend tussen de drenkelingen, lijken en wrakstukken, om 114 drenkelingen aan boord te nemen. Bemanningsleden van de Titan zien onder andere een reddingboei voorbij drijven met daaraan vijf lijken geklemd. Ook kapitein Voorham van het ss Flora, laat sloepen strijken en ziet kans om 287 schipbreukelingen te redden.
Een van de geredde mannen is commander W.F. Selss uit Plymouth. Hij was officier aan boord van de Aboukir. Toen dit schip zonk wist hij zwemmend uit de draaikolk te komen en werd aan boord genomen van de Hogue. Toen de Hogue werd getorpedeerd overleefde hij de explosie en wist opnieuw uit de draaikolk te zwemmen. Hij kwam nu aan boord van de Cressy en weer werd zijn schip getorpedeerd. Hij sprong voor de derde maal in het koude zeewater en kon zich redden door zichzelf een een stuk wrakhout vast te klemmen, waarna hij door een sloep van het ss. Titan werd gered.
Tijdens het overzetten van een drenkeling uit de reddingsloep aan boord van de Titan viel deze in zee. Hij greep een touw en toen hij het vast had sloeg de sloep tegen de wand van de Titan. De arm van de man werd afgeknepen en hij verdween in de diepte
Naast commander Selss zijn er nog een aantal opvarenden drie in die korte tijd drie maal schipbreuk lijden. Zo ook de jonge adelborst H. Hook. Hij zal het later brengen tot commander bij de Royal Navy. De meeste mannen zijn ziek van de kou en het ingeslikte zeewater. Zij hebben gemiddeld drie uur in het koude zeewater gelegen. Een der geredden had vijf uur rondgezwommen. De Titan zet om 12.00 uur koers naar de monding van de Nieuwe Waterweg. Van de 114 drenkelingen zijn er inmiddels 5 overleden.
De eerste torpedobootjagers uit Harwich bereiken tegen 12 uur eindelijk de plaats van de ramp. Als het ss Titan van de rampplaats vertrekt komt de Engelse torpedobootjager HMS Lucifer ter plaatse. De commandant van dit schip vraagt toestemming aan kapitein Berkhout om de drenkelingen van hem over te mogen nemen. Dit is akkoord en 89 drenkelingen gaan aan boord van de Lucifer. Onder hen is commander W.F. Sels. De Titan zet nu koers naar de monding van de Nieuwe Waterweg met 20 drenkelingen aan boord, waarvan 3 zwaar gewond en 5 stoffelijke overschotten.
De schipbreukelingen komen aan land.
Ondertussen is ook het ss. Flora van de rampplaats vertrokken en zet met de 287 schipbreukelingen, waar onder 1 dode en een aantal gewonden, koers naar IJmuiden. Het schip meert die dinsdag 22 september te 17 uur af in de haven van IJmuiden en zet de drenkelingen aan de wal. Onder hen bevinden zich 23 officieren waarvan drie scheepsartsen en één vlootpredikant.
De officieren worden ondergebracht in hotel 'Nummer Eén'. De twee zwaar gewonden gaan naar het 'Witte Kruis' gebouw en een groot aantal licht gewonden en zieken gaan naar het 'Rode Kruis' ziekenhuis. De overige 250 man worden ondergebracht in diverse hotels te IJmuiden en voorzien van droge kleding en schoenen.

Drenkelingen te IJmuiden
Onder de geredden bevindt zich ook de commandant van HMS. Hogue, kapitein ter zee Bertram W.L. Nicholson. Hij wordt die dag direct per auto van IJmuiden naar Den Haag gebracht om verslag van de ramp uit te brengen bij de Engelse gezant, Sir. Alan Johnstone.

De volgende dag, woensdag 23 september, vertrekken 266 geredden met een extra trein uit IJmuiden richting Amsterdam. Als begeleiding gaan soldaten mee van het 10e Regiment Infanterie onder bevel van 2e luitenant W.E. Lambert. In IJmuiden blijven 21 gewonden en zieken achter. Hier bij is Walter Stokes, hoofdmachinist van de Hogue. Hij is zwaar gewond maar niet in levensgevaar. Later die dag krijgen de gewonden in het Rode Kruis ziekenhuis bezoek van de Minister van Marine.
Om 10 uur komt de trein aan op station Amsterdam-Centraal. Om 10.57 uur vertrekt de trein naar Heereveen waar hij te 15.30 uur aankomt. Hier staan twee extra trams klaar om de Engelse marinemannen naar een interneringskamp te Balk in Friesland te vervoeren. De licht gewonden werden naar de trams gedragen. Hierna komen eerst de officieren en daarna de overige bemanningsleden. De 27 officieren zijn overwegend baardloze jonge mannen tussen de 20 en 25 jaar oud. De gewone bemanningsleden zijn vooral oudere zeelieden.
Er is grote publieke belangstelling en de drenkelingen krijgen van alle kanten sigaretten, sigaren en chocolade toegestopt. Om 16 uur vertrekken de trams naar St. Nicolaasga waar men uitstapt en verder te voet naar Balk gaat.

Kapitein Berkhout van het ss. Titan.
Om 16 uur meldt het ss. Titan zich bij de stoomloodsboot te Hoek van Holland. Op de loodsboot ziet men dat de rederij- en nationale vlag van het schip halfstok hangen. Dat betekend dat de Titan doden aan boord heeft. De loodsboot hijst nu de seinvlaggen Z.L.J., wat betekent gewonden en doden aan boord, en vaart voor de Titan uit de Nieuwe Waterweg op
Personeel van de seinpost te Hoek van Holland waarschuwt nu de nodige geneeskundige hulp. Als het schip om 18.30 uur afmeert aan de Harwichsteiger staan artsen, officieren en manschappen van het fort en personeel van de Eerste Hulp bij Ongelukken met het nodige materiaal op het steiger. De drenkelingen worden nu ontscheept. De gewonden hebben been- en armbreuken en borstkneuzingen. De 5 doden worden overgebracht naar de loods van de Holland Amerika Lijn te Hoek van Holland. De stoffelijke overschotten hebben geen uiterlijke verwondingen. Zij zijn omgekomen door het langdurig drijven in het koude water. De licht gewonden en andere geredden worden overgebracht naar het fort van Hoek van Holland waar zij op last van de fortcommandant, kapitein J. Kloosterhuis, worden geïnterneerd. Onder de geredden is een jongen van 17 jaar. Hij was trommelslager aan boord van één der kruisers.

De drenkelingen krijgen droge kleding.
In het fort krijgen de drenkelingen Nederlandse militaire kleding uitgereikt. Vier zieken lijden aan longontsteking. Alle zieken en gewonden worden behandeld door de huisartsen Ten Kate en Rijken uit 's-Gravenzande en dokter Portheine, officier van gezondheid in het fort. De zwaar gewonde man heeft beide benen en een knieschijf gebroken. Hij wordt overgebracht naar het Roomsch-Katholiek Patronaat aan de 's-Gravenzandseweg te Hoek van Holland.
Inmiddels is men in de loods van de Holland Amerika Lijn begonnen met het fotograferen en beschrijven van de stoffelijke overschotten.
De volgende dag, woensdag 23 september, worden vier gewonden onder begeleiding van personeel van de Rode Kruis Transportcolonne met de stoomboot Eendracht naar Rotterdam gebracht. Hier worden zij opgenomen in een ziekenhuis.
In de haven van Harwich worden inmiddels 110 overlevenden aan de wal gezet. Een groot deel van hen waren hun kleding kwijt en waren gehuld in jute zakken en sjaals.

Gewonden in het hospitaal te Hoek van Holland. v.l.n.r. Arthur James Everet, William Neill, William John Parish, Richard Roberts en John Black.
Thuiskomst van de U-9.Die dag loopt de U-9 de haven van Helgoland binnen en meert om 13.35 uur af. In Duitsland was men uitzinnig van vreugde. De U-9 en haar bemanning krijgen een helden welkom. Op een vraag aan Weddigen hoe het was tijdens de aanval, antwoordt hij: "Verschrikkelijk, die vele met de dood worstelende mensen". Kapitänleutnant Otto Weddigen wordt onderscheiden met het IJzeren Kruis Ie en IIe klasse en hele bemanning van de U-9 krijgt het IJzeren Kruis IIe klasse. De U-9 krijgt het recht om het IJzeren Kruis op de commandotoren te voeren. Hierop schildert de bemanning het IJzeren Kruis op de buitenkant van de toren.

Kapitänleutnant Otto Weddigen Duitse prentbriefkaart
Op donderdag 24 september maakt de Duitse Seekriegsleitung officieel het volgende bekend:
"De Duitsche onderzeeër U-9 heeft 15 zeemijlen ten Noordwesten van Hoek van Holland de Engelsche gepantserde kruisers, Aboukir, Hogue en Cressy aangevallen en alle drie doen zinken. Van de Engelsche bemanning zijn meer dan twee derden verdronken. De rest is door Engelsche en Hollandsche schepen opgenomen en grootendeels naar Holland gebracht. Duitschland heeft bij dezen aanval geen enkele man verloren. De onderzeeër is onbeschadigd teruggekeerd".
De begrafenissen van de slachtoffers.
Op donderdag 24 september om 12 uur is in IJmuiden de Engelse marineman P. Green met militaire eer begraven. Tijdens de begrafenis is er een detachement marinemensen van de kanonneerboot Hr.Ms. Brak bij de groeve aanwezig. De Engelse predikant ds. J.Chambers houdt een toespraak evenals de Engelse vice-consul en de commandant van het marinedetachement. Het marinedetachement geeft drie geweersalvo's in de lucht: eenmaal bij het arriveren van de stoet op de begraafplaats en twee maal boven de groeve, waarboven de kist staat. De kist is bedekt met de Engelse vlag.
Op vrijdag 25 september worden de stoffelijke overschotten van de vijf Engelse marinemensen met militaire eer op de begraafplaats te 's-Gravenzande ter aarde besteld. (Hoek van Holland is sinds 1 januari 1914 gemeente Rotterdam en beschikt nog niet over een eigen begraafplaats). De begrafenis wordt geregeld door kapitein J. Kloosterhuis, commandant van het 'Fort aan den Hoek van Holland'. De Engelse regering vergoedt alle kosten.
De soldaten die de rouwstoet begeleiden en de plechtigheid verzorgen zijn afkomstig uit het 'Fort aan den Hoek van Holland'. Alle soldaten zijn gekleed in marstenue.

Rouwstoet op de Strandweg te Hoek van Holland.
De rouwstoet vertrekt om 9 uur uit Hoek van Holland. De stoet wordt vooraf gegaan door een exercitiepeloton van 12 soldaten en een onderofficier. Hierna volgen een tamboer en een pijper die treurmuziek spelen. Dan volgen er drie paard en wagens met de stoffelijke overschotten. Op de eerste wagen één kist en op de tweede en derde wagen elk twee kisten. Het zijn eenvoudige kisten van without, bedekt met de Engelse vlag.
Achter de eerste wagen lopen twee onderofficieren van de Koninklijke Marine, twee onderofficieren van het Korps Torpedisten en twee onderofficieren van het Korps Pantserfort-artillerie. Achter de twee andere wagens lopen manschappen van beide korpsen. Achter de laatste wagen lopen zestig dragers. Voor iedere kist twaalf. Dit detachement is voor de helft samengesteld uit soldaten van het Korps Torpedisten en voor de helft uit het Korps Pantserfort-artillerie. Zij worden gevolgd door een detachement van vijftig man onder bevel van de 1e Luitenant der Artillerie, C. Erpenbeek de Wolff. Hierna komen drie volgrijtuigen met militaire- en burger autoriteiten, onder andere de Engelse gezant Sir Alan Johnstone, de fortcommandant, kapitein J. Kloosterhuis en de heer C.F. Jas, commissaris van Hoek van Holland (hoogste burgerautoriteit van Hoek van Holland).
Om 10 uur arriveert de stoet op de begraafplaats aan de Naaldwijkseweg te 's-Gravenzande. Bij de groeve geeft het exercitiepeloton een geweersalvo in de lucht. Hierna leest de Engelse predikant, rev. Coryton uit Rotterdam enkele stukken uit de bijbel. Vervolgens wordt er gesproken door ds. Ruysch van Dugteren, Ned. Herv. predikant en ds. Hairingen, Geref. predikant. Beiden uit 's-Gravenzande. Hierna laat men de kisten in de groeve zakken en geeft het exercitiepeloton twee geweer salvo's. Eén maal in de lucht en één maal op het graf. Op het graf legt men een groot aantal bloemstukken.

Begrafenis te 's-Gravenzande.
Nu de stoffelijke overschotten weg zijn, wordt de loods van de HAL ingericht als noodhospitaal. Er worden 16 gewonde Engelsen ondergebracht. De drenkelingen maken het redelijk goed. De ergste zieke is weer zover opgeknapt dat hij weer goed kan eten. De andere drenkelingen zijn ondergebracht in de 3e klasse wachtkamer van het station Hoek van Holland-Haven. Voor alle drenkelingen is inmiddels burgerkleding gebracht. Ook de geredden uit Hoek van Holland worden nu overgebracht naar het interneringskamp in Balk.
Nu volgt op regeringsniveau druk overleg over de positie van de geredde Engelse marine mensen. Men besluit dat het, op grond van het verdrag voor de toepassing van het 'Verdrag van Genève op den zeeoorlog' van 1907, onjuist is om de Engelse marinemensen in Nederland vast te houden. Men is namelijk van mening dat het hier gaat om schipbreukelingen in plaats van krijgsgevangenen. Door de regering wordt nu aan de Engelse legatie te Den Haag bericht dat de geredde bemanningsleden van de drie pantserkruisers volkomen vrij en gasten van de Nederlandse regering zijn. Binnenkort zullen zij naar Engeland vertrekken.
Ondertussen spoelen er nog met enige regelmaat lijken en wrakstukken aan op de Nederlandse kust. De kust wordt door de politie bewaakt. Fotografen zijn aangesteld om de aangespoelde lijken te fotograferen zodat men later de identiteit kan vaststellen.
De stoffelijke overschotten worden op diverse begraafplaatsen begraven. Onder andere te Loosduinen en Rotterdam. Uiteindelijk zijn 59 stoffelijke overschotten van zeven begraafplaatsen in Zuid Holland verzameld en overgebracht naar de begraafplaats te 's-Gravenzande waar zij werden bijgezet in een massagraf.
Op 25 september brengt de blazerschuit SL 6, een visserschip van Stellendam, vier reddingsloepen van de kruisers binnen. Zij werden leeg aangetroffen in de omgeving van het lichtschip Maas. De marine neemt de sloepen in beslag. De schokker Scheveningen 20 en een motorboot uit Maassluis brengen de stoombarkas van de Cressy de Berghaven van Hoek van Holland binnen. Het scheepje werd leeg op ongeveer 20 zeemijl uit de kust aangetroffen en zou nog vele jaren dienst doen bij de Koninklijke Marine onder de naam Hr.Ms. Cressy.
Eind september 1914 vertrekken 286 Engelse marinemensen per schip vanuit Vlissingen naar hun moederland.
Conclusies.
Als men in Engeland de balans op maakt van de ramp dan telt men naast de drie verloren gegane oude pantserkruisers een verlies van 1460 marinemensen, waarvan 60 officieren. Een groot deel van de mannen van de RNR (Royal Navy Marine Reserve) zijn oudere zeelieden afkomstig van de visserij en koopvaardij. Vele van hen kunnen niet zwemmen omdat zij dat nooit hebben geleerd. Verder eist het koude zeewater, waarin de mannen uren moesten ronddrijven, haar tol.
Het verlies van de drie oude pantserkruisers zal de slagkracht van de Royal Navy nauwelijks verminderen maar het verlies van zoveel mensenlevens is een drama. De marineleiding in Engeland is ontsteld dat een onderzeeboot in zo'n korte tijd drie pantserkruisers tot zinken kan brengen. Er ontstaat nu een heftige discussie over de verandering in de strijd ter zee. Men heeft de mogelijkheden van het nieuwe wapen, de onderzeeboot, flink onderschat. Men beseft nu dat men terdege rekening moet houden met het Duitse onderzeeboot wapen.Uit het onderzoek blijkt dat de schuld van de ramp in de eerste plaats bij de oorlogsstaf van de Admiraliteit lag. De schepen hadden nooit zonder de begeleidende torpedobootjagers mogen surveilleren en hadden hun patrouille moeten afbreken. Het tot zinken brengen van de Aboukir is het gevolg van een voorval tijdens een patrouilletocht. Het tot zinken brengen van de Hogue en Cressy is het gevolg van het bijdraaien en stoppen om de opvarenden van de Aboukir te redden. Dat had nooit mogen gebeuren.
De Admiraliteit geeft naar aanleiding van de ramp nu orders uit dat grote oorlogsschepen niet meer zonder begeleiding mogen patrouilleren. In het geval dat andere oorlogsschepen of koopvaardijschepen schade oplopen door mijnexplosies of aanvallen door vijandelijke oorlogsschepen zijn deze schepen op zichzelf aangewezen. De grotere oorlogsschepen mogen niet meer bijdraaien en stoppen om overlevenden van andere schepen te redden.
Tot slot.
Met Kapitänleutnant Otto Weddigen loopt het een half jaar later niet goed af. Hij krijgt het commando over de onderzeeboot U-29 en bevindt zich op 18 maart 1915 op de Noordzee. Hij neemt daar deel aan een aanval op de Engelse oorlogsschepen van het '4th Battle Squadron of the Grand Fleet'. Tijdens de aanval maakt het slagschip HMS 'Dreadnought' zich los uit het vlootverband en ramt de U-29 die op dat moment midden tussen de Engelse oorlogsschepen vaart. De U-29 wordt met de ramsteven van de Dreadnought midscheeps geramd en bijna uit het water getild. Hierna breekt de U-29 doormidden en verdwijnt met alle opvarenden in de diepte.
De wrakken van de drie pantserkruisers worden in juli 1955 gevonden door een Duitse bergingsfirma. De wrakstukken liggen verspreid over een oppervlakte van ongeveer 650 meter, 23 zeemijl uit de Nederlandse kust, op een diepte van 24 tot 26 meter.
Omdat de wrakken op een kleibank liggen, die zich ongeveer 11 meter boven de zeebodem verheft, waren de oorlogsschepen niet uit elkaar geslagen of in de zeeboden verzand.
Na moeizame werkzaamheden kon men grote delen van de schepen bergen. De wrakstukken werden naar Duitsland overgebracht om als schroot door de Duitse industrie te worden verwerkt. Zo kreeg Duitsland na ruim 40 jaar toch nog de drie Engelse kruisers in handen.
De plaats waar nog steeds delen van de schepen op de zeebodem liggen is een geliefde plaats voor sportduikers en berucht bij bemanningen van vissersschepen omdat hun netten daar vast kunnen gaan zitten.
Op de begraafplaats van 's-Gravenzande kunt u, achter in de hoek, nog steeds het massagraf met daar omheen een aantal individuele graven zien van de opvarenden van de Cressy, Hogue en Aboukir. De graven worden gemarkeerd door een groot wit stenen kruis met daarop afgebeeld een bronzen zwaard. Dit is het zogenaamde 'Cross of Sacrifice'. Dit symbool wordt geplaatst op alle Britse erevelden van meer dan 40 graven.

Cross of Sacrifice op de begraafplaats te 's-Gravenzande.
Bronnen:
Dr. Ph.M. Bosscher. Vlootvoogden en zeeslagen. Franeker 1985
R.A. Burt. Britse Cruisers in World War One. Dorset 1987
D. Ruis. De ondergang van het 7th Cruiser Squadron. Hoek v Holland 1995
M.H.J.Th. v.d.Veer. Onderzeeboten in beeld. Zaltbommel 1989
Commander Royal Navy, H.Hook. Geschreven verslag van zijn ervaring tijdens de ramp. 1954. Archief Imperial War Museum Londen.
Krantenartikelen:
Dagblad van Rotterdam, 23 september 1914.
Nieuwe Rotterdamsche Courant van 23/9 t/m 29/9/1914.
Dagblad Het Centrum van 23/9 t/m 26/9/1914
Dagblad Het Volk van 23/9 t/m 29/9/1914.
Hoek van Holland, 16 maart 2008.
D. Ruis,
Bestuurslid St. Fort a/d Hoek van Holland
Hoofd werkgroep historisch onderzoek.
[1] Rear Admiral, vergelijkbare Nederlandse rang is Schout bij nacht.